Poging tot mensenhandel meisje van nog geen 16 jaar: hoever kun je gaan?
Poging tot een misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Dat betekent dat de bewezen verklaarde gedragingen moeten kunnen worden bestempeld als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.[1] In deze zaak gaat het onder andere om een meisje jonger dan 16 jaar. Vaststaat dat verdachte samen met twee anderen naar het Schipperskwartier in Antwerpen is gereden om het meisje met de raamprostitutie aldaar kennis te laten maken. Vast staat ook dat onderweg gesproken is over prostitutie waardoor Rechtbank ‘s-Hertogenbosch het eveneens aannemelijk acht dat ook gesproken is over werken in de prostitutie. De vraag is of sprake is van een ‘begin van een uitvoering’ (art 45 WvS), oftewel kan de verdachte op grond van bovenstaande veroordeeld worden voor poging tot mensenhandel? De rechtbank oordeelt van niet (LJN BU6763). De vraag is of dat getuigt van een juiste rechtsopvatting.
Het uitbaten van een minderjarig persoon in de prostitutie is strafbaar. Er hoeft dan geen sprake te zijn van een vorm van dwang, overwicht of wat dan ook. Onder sub 5 van het eerste lid van artikel 273f WvS wordt strafbaar gesteld het:
‘ertoe brengen’ van een persoon die de leeftijd van achttien nog niet heeft bereikt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die ander(en) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander(en) zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van die handeling(en), terwijl die ander(en) de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt.
Nu is in dit geval door het OM alleen een poging tot mensenhandel ten laste gelegd en niet het voltooide delict, terwijl te beargumenteren is dat een poging tot het in artikel 273 f lid 1 sub 5 gestelde, tevens het voltooide delict –sub 5- oplevert.[2]
Wie een meisje dat van huis is weggelopen onderdak biedt met de bedoeling haar in te zetten in de prostitutie en advertenties plaatst, ook al was er nog geen klant, maakt zich schuldig aan he voltooide delict. Datzelfde geldt voor een meisje in de prostitutie proberen te brengen bij wijze van stageplaats, zelfs als de meisjes zelf daarom vroegen. In dit geval daarentegen, zo oordeelt de rechtbank, zou geen sprake zijn van een poging tot mensenhandel. Verdachte heeft een meisje van nog geen zestien jaar uit rijden genomen naar het Schipperkwartier in Antwerpen en haar langs prostitutieramen geleid. Hij heeft daar gesproken over de mogelijkheid om daar te gaan werken: voorstellen gedaan over het aanschaffen van werkkleding, het delen van opbrengsten en het bieden van bescherming. In de ogen van de rechtbank kan dat in zijn uiterlijke verschijningsvorm niet worden beschouwd als gericht op het voltooien van het delict’. Er is geen sprake van een begin van een uitvoering (art 45 juncto art 273f lid 1 sub 5 WvS) en dus geen poging.
Het is een bekend onderdeel van de totale loverboytechniek: met een meisje langs de ramen rijden om haar zo voor te bereiden op het werk dat hij voor haar in gedachten heeft. Wie dat niet doet in het kader van een seksuele fantasie binnen een affectieve relatie, doet dat met geen ander oogmerk dan haar uiteindelijk er toe te brengen in de prostitutie te gaan werken. Dat lijkt zeker te gelden nu verdachte ook andere vrouwen de prostitutie in ‘hielp’. Kortom, er lijken geen argumenten aan te voeren waarom hij niet het oogmerk heeft gehad haar in de prostitutie te brengen.
De vraag is wat er voor deze rechtbank wel had moeten gebeuren voordat een poging bewezen verklaard was. Had verdachte lingeriesetjes gekocht moeten hebben, en of meer dan gemiddeld veel condooms? En wat als het meisje die zelf had gekocht? Of zou pas sprake zijn van een poging als verdachte een raam had gehuurd of een advertentie had geplaatst? Waarbij dient opgemerkt dat dan al sprake zou zijn geweest van het voltooide delict. De ratio daarvan is heel eenvoudig. Mensenhandel is een ernstige schending van de lichamelijk en psychische integriteit. Voor mensenhandel geldt daarom het zogenaamde doorlaatverbod van artikel 126ff WvS. Zelfs wanneer daar zwaarwegende opsporingsbelangen mee gediend zouden zijn, mag men, in het kader van opsporing geconstateerde mensenhandel, deze niet laten voortduren.[3] De plicht tot ingrijpen strekt dan tot bescherming van het slachtoffer. Ook de uitspraak van het EHRM, in Rantsev, verplicht hiertoe.[4] Langer wachten, bijvoorbeeld tot daadwerkelijk een raam was gehuurd en misschien ook als de eerste klant ontvangen, was volstrekt onaanvaardbaar geweest zeker gezien de leeftijd van het meisje.
In dit geval kan daarom naar mijn idee niet anders dan dat sprake is van gedragingen van verdachte die naar hun uiterlijk verschijningsvorm moeten worden beschouwd als gericht op de voltooiing van het delict.
Verdachte heeft het meisje ook seksueel misbruikt. Zij heeft echter over dat misbruik en het geweld daarbij, wisselend en op sommige onderdelen tegenstrijdig verklaard. De rechtbank vindt daarom dat haar verklaringen met de nodig behoedzaamheid bezien dienen te worden en dat aan ondersteunend bewijs extra hoge eisen gesteld moeten worden. En die eisen stelt de rechtbank. Verdachte zou het meisje onder andere met een verhitte autoaansteker op haar rug hebben gebrand. De ‘Forensische polikliniek kindermishandeling’ heeft haar onderzocht op diverse verwondingen. Hierbij zijn o.a een tweetal ronde huisverkleuringen met een doorsnee van ongeveer twee centimeter geconstateerd. “Ten aanzien van al die verwondingen is geconcludeerd dat deze (zeer wel) kunnen passen bij de door slachtoffer beschreven toedracht maar dat een andere toedracht niet valt uit te sluiten.”
De rechtbank ziet in zijn geheel echter te weinig ondersteunend bewijs en omdat de verwondingen ook kunnen passen bij een andere toedracht, spreekt de rechtbank verdachte van de geweldpleging vrij. Nu geldt dat een andere toedracht nooit is uit te sluiten. Bewijs anders dan wiskundig bewijs, is nooit absoluut. Een forensisch arts, of een forensisch gedragsdeskundige kan nooit met zekerheid stellen dat fysiek of psychisch letsel is veroorzaakt door bepaalde gedragingen of handelingen. Een goede medische rapportage dient daarom aanknopingspunten voor verificatie en falsificatie te verschaffen. Zo dient aandacht besteed te worden aan de functionele betekenis van de verwondingen in verschillende referentiekaders. Dat betekent dat ook had moeten worden onderzocht hoe de verwondingen anders hadden kunnen zijn ontstaan (falsificatie). Dat geldt in het bijzonder nu de verwondingen zich op de rug bevonden van een nog zeer jong meisje. Dat lijkt echter niet gebeurd te zijn. Het uit hoofde van de professie van een medisch deskundige niet als absoluut te bewijzen causale verband tussen verwonding en gedraging, wordt daarom ten ongunste van het meisje uitgelegd omdat zij inconsistent zou hebben verklaard.[5]
Wat dan bevreemdt is dat de rechtbank het leeftijdsverschil van 6 jaar wel zodanig groot vindt, dat hij daardoor het verrichten van ontuchtige handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen bewezen verklaard. Had het dan niet op de weg van de rechtbank gelegen te onderzoeken of de inconsistenties in het relaas misschien niet te wijten zijn aan trauma’s opgelopen door het wel bewezen delict?
Verdachte wordt hiervoor en voor bedreiging en overtreding van de Opiumwet veroordeeld tot 18 maanden cel.
Ik neem aan dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep gaat, en zonodig cassatieberoep instelt.
Lees in dit kader ook
[1] Art. 45 WvS HR 24 okt 1978, NJ 1979, 52, inmiddels bestendige rechtspraak. G.H. Meijer, A. Seuters G.H. Haar, Leerstukken Strafrecht, Kluwer 2009, p. 151 ev.
[2] G.H. Meijer, A. Seuters G.H. Haar, Leerstukken Strafrecht, Kluwer 2009, p. 151.
[3] Motie Rouvoet Kamerstukken II, 25 403, nr. 30, Brief min v. Justitie, 25403, nr 35.
[4] EHRM 7 januari 2010, nr. 25965/04), Rantsev v. Cyprus en Rusland.


