Bewijsproblematiek van loverboypraktijken
De laatste jaren bestaat er veel aandacht voor loverboys en voor de slachtoffers van loverboys. Loverboys hanteren verschillende technieken om hun meisje(s) te dwingen tot bepaalde handelingen, met als doel om daaruit vervolgens voor zichzelf financieel gewin te halen. Deze handelingen zijn aan te merken als mensenhandel en zijn derhalve strafbaar op grond van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.
Loverboys worden echter relatief vaak vrijgesproken van de aan hen ten laste gelegde mensenhandel. De vraag is of, en zo ja welke problemen ten grondslag aan de vele vrijspraken van loverboys. Franca Damen[1] deed hier in het kader van haar afstudeerscriptie onderzoek naar en publiceerde hierover een artikel in Delikt en Delinkwent. Uit haar onderzoek wordt duidelijk dat verschillende problemen aan de vele vrijspraken van loverboys ten grondslag liggen. Deze problemen dienen aangepakt te worden. Daarbij kan een belangrijke rol spelen dat rechters (en het openbaar ministerie) (nog) beter en vollediger op de hoogte worden gebracht van de slinkse werkwijzen van loverboys en de daarmee samenhangende problematiek van liefdes- en/of angstgevoelens van de slachtoffers, en van de verschillende strafbaarstellingen van mensenhandel en de bijbehorende punten die van belang zijn bij de invulling van deze strafbaarstellingen.
Het artikel De bewijsproblematiek van loverboypraktijken is hier te downloaden: citeerwijze F.H. Damen,’ De bewijsproblematiek van loverboypraktijken’, Delikt en Delinkwent 2011, 35.
De Masterscriptie Franca Damen – Bewijsproblematiek van loverboypraktijken is eveneens hier te downloaden
[1] Franca Damen is advocaat bij Linssen CS Advocaten in Tilburg.

