De draad kwijt bij nieuw prostitutiebeleid
De prostitutiewet komt eraan, dat is althans als hij niet door de eerste kamer wordt teruggestuurd. Een wet die het prostitutiebeleid moet reguleren en misstanden moet bestrijden. Het reeds legale prostitutiegedeelte wordt verder gereguleerd waarmee beoogd wordt vooral een duidelijker onderscheid tussen legale en illegale prostitutie te creëren. Of dat voldoende is om werkelijke misstanden in de prostitutie aan te kunnen pakken wordt zeer betwijfeld. Dat neemt niet weg dat landelijke uniformering van prostitutiebeleid zeer gewenst is. Misschien had het daar bij deze wet bij moeten blijven. Nu deze wet echter wordt opgevoerd als hét middel in de strijd tegen mensenhandel, blijven kanttekeningen op hun plaats: zeer kritische.
De wet voert tevens een registratieplicht in voor prostituees. Elke in Nederland werkende prostituee, in loondienst of zelfstandig, wordt verplicht op straffe van een boete, zich eens in de drie jaar te laten registreren. Hij of zij wordt verplicht zich tijdens, of beter voorafgaand aan de werkzaamheden, een registratienummer te kunnen tonen. De klant in spe moet zich vooraf vergewissen of dat nummer wel hoort bij een geregistreerde prostituee. Doet ie dat niet dan is hij of zij strafbaar. Of het nummer wel bij de prostituee in kwestie hoort, zal lastig te controleren blijken omdat geen gebruik gemaakt zal worden van pasfoto’s. Het zal wachten zijn op de eerste fraude met, en handel in registratienummers. En hoe uiteindelijk achteraf gecontroleerd kan worden of een prostituant ook werkelijk het nummer gecontroleerd heeft, is een vraag die nog vele privacyjuristen zal gaan bezig houden. Maar geen zorgen, alles zal geregeld gaan worden in dé AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) van de minister van Veiligheid en Justitie.[1] De precieze uitwerking zal nog moeten plaats vinden, maar is pas zinvol -volgens de minister- als er duidelijkheid is over de aanvaarding van het wetsvoorstel. Maar ondertussen weet of begrijpt niemand hoe het een en ander nu echt geregeld kan of gaat worden.Gaandeweg de debatten rondom de wet, lijkt registratie hét middel te zijn geworden in de strijd tegen mensenhandel. Was registratie aanvankelijk nog vooral inzet om zicht te krijgen op de prostitutiebranche, inmiddels is het verworden tot het middel ter bestrijding van misstanden in de seksbranche, in ieder geval bedoeld om de informatiepositie van prostituees te verbeteren. Niet helemaal duidelijk meer is wat precies bedoeld wordt met misstanden. Is dat de veelal zeer slechte rechtspositie van prostituees of wordt daar mensenhandel mee bedoeld.[2] Hoezeer men deze twee ook met elkaar in verband lijkt te willen brengen, het gaat het in beginsel om geheel andere zaken. Bij het eerste gaat het om rechten van werkenden in de seksindustrie, bij mensenhandel gaat het om de schending van een basaal mensenrecht, het recht om gevrijwaard te zijn van slavernij, van inbreuken op zijn geestelijke en lichamelijke integriteit. Beiden zijn misstanden, maar van een geheel andere orde en staan alleen al doordat sprake is van andere actoren niet rechtstreeks met elkaar in verband. Die onduidelijkheid hierover vertroebelt de discussie[3]
Het blijft dan ook onduidelijk wat precies met de registratieplicht wordt beoogd. En ondanks de grote eloquentie van de minister van Veiligheid en Justitie, Opstelten, resteert een grote hoeveelheid vragen met veel minder antwoorden. Die onbeantwoorde vragen zien met name op de privacy- en handhavingaspecten en effectiviteit van de registratieplicht.[4]
Wat betreft die privacyaspecten, zijn die vragen niet alleen begrijpelijk maar vanuit maatschappelijk perspectief volkomen terecht. Wie zich de bijdrage van Patricia Parool in het Parool van 12 november voor de geest haalt, begrijpt heel goed waarom: de angst alleen al om een familielid of andere bekende voorbij het raam te zien schuifelen is enorm.[5] Het stigma dat onlosmakelijk verbonden lijkt met dit vak, maakt dat de angst dat ook maar iemand anders dan je naaste buurvrouw weet welk vak je uitoefent, heel diep zit. Bel een bank en vraag of je als prostituee een zakelijke rekening kan openen, tien tegen een dat sekswerk is uitgesloten en dat dat niet lukt. Prostituees zijn als de dood dat informatie over hun vaak zorgvuldig bewaakte geheim, hun vak, ergens terecht komt waar die informatie vergaande en voortdurende gevolgen kan hebben. Dat namelijk vormt ook impliciet onderdeel van misstanden. En nu worden prostituees opeens verplicht in het kader van die misstanden zich te laten registreren.
De registratieplicht zou misschien acceptabel zijn wanneer met registratie de strijd tegen mensenhandel adequaat zou kunnen worden aangepakt, maar dat is zeer de vraag. Tijdens een driejaarlijks contactmoment kunnen prostituees geïnformeerd worden over hun rechten en plichten. Zij worden dan voorgelicht over de mogelijkheden van hulpverlening, over gezond en veilig werken en wat te doen op het moment dat zij worden uitgebuit. “Zo wordt de prostituee in een situatie gebracht waarin zij zelf voor haar rechten kan opkomen.”[6] Dat gaat dan klaarblijkelijk over de rechtspositie van de vrijwillig werkende prostituee. Het geeft namelijk weinig blijk van kennis en inzicht in de dwangpositie waarin slachtoffers van mensenhandel zich bevinden. Alsof een gesprek eens in de drie jaar werkelijk maakt, dat een slachtoffer van mensenhandel voor haar of zijn rechten kan opkomen. Het zal beslist zinvol zijn. Maar dit wordt ten tonele gevoerd als hét middel in de strijd tegen mensenhandel ter legitimatie van de inbreuk op de privacy van een toch al gestigmatiseerde beroepsgroep.
De weerstand tegen de registratieplicht onder (vrijwillig werkende) prostituees is enorm en hoe het ook zij, die moet worden weggenomen om te voorkomen dat ,als de wet wordt aangenomen, vele –lees vooral vrijwillig werkende- prostituees zich helemaal niet laten registreren, illegaal worden en zo uit het zicht verdwijnen. Kortom, er moet draagvlak gecreëerd worden voor de registratieplicht, zo realiseert minister van Veiligheid en Justitie zich ook.[7]
Hoe doe je dat beter dan door subsidie te verlenen aan een belangenorganisatie van sekswerkers, in dit geval Stichting De Rode Draad. Hen laat je prostituees gerust stellen dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen en dat hun gegevens veilig zijn en slechts hun burgerservicenummer geregistreerd wordt, alsof dat trouwens geen persoonsgegeven is. Je vertelt ze ook dat hun gegevens onmiddellijk zullen worden verwijderd op verzoek, ook al heeft de overheid op dat gebied nog wel een reputatie op te bouwen. Dat de Rode Draad zich nooit voorstander van registratie heeft getoond of zelfs vervent tegenstander, is het ergste niet.
Lastiger in dit verband is, dat de Rode Draad zich voornamelijk ten doel heeft gesteld de rechtspositie van prostituees en hun werkomstandigheden te verbeteren en zich tot op heden nou niet heeft opgeworpen als de organisatie die ten strijde trekt tegen mensenhandel. Vooral dat laatste wringt. Met registratie wordt vooral de bestrijding van mensenhandel beoogd zoals de minister telkens wil laten geloven. En dat moet ook, wil een inbreuk op de privacy van de zich registrerende prostituees, proportioneel zijn. Dan is het vreemd dat een organisatie die zich telkens weer haast om te vertellen dat het allemaal wel meevalt met die gedwongen prostitutie, subsidie krijgt om draagvlak te creëren voor een maatregel waarmee de bestrijding van mensenhandel wordt beoogd. Natuurlijk is ook de Rode Draad tegen mensenhandel, want wie is daar niet tegen. Op hun website is het woord mensenhandel vooralsnog maar mondjesmaat te vinden, en geldt datzelfde voor mogelijke signalen van uitbuiting?[8]
De positieverbetering van prostituees is ook heel hard nodig. Ook daar zijn vele misstanden te bestrijden Daar wil ik heel duidelijk over zijn en laat de overheid daarbij vooral te rade gaan bij vrijwillig werkenden en zeer wijze vrouwen zoals Ilonka Stakelborough en Patricia Perquin. Maar dat is beslist iets anders dan de strijd aangaan tegen mensenhandel middels het registreren van een complete beroepsgroep.
Maar hoe het ook zij of de Rode Draad nu informatie gaat uitreiken over deze nog aan te nemen wet, of over uitbuiting, ook zij zullen vooral de reeds nu al in het zicht –waarschijnlijk vrijwillig- werkende groep prostituees bereiken. De voor dwang uiterst kwetsbare en niet vrijwillig werkende groep, zal ook voor Stichting de Rode Draad onbereikbaar blijven. Onbereikbaar voor een maatregel die nu juist voor deze groep bedoeld is, en alleen in dat kader proportioneel en noodzakelijk is. Subsidieverlening voor het creeren van draagvlak voor een twijfelachtige maatregel, aan een organisatie die geen van de doelen van de maatregel onderschijft is niet proportioneel en zeker niet noodzakelijk. [9]
Vrolijke noot: Voor wie al te somber wordt van de aanpak van mensenhandel en deze besteding van overheidsgeld, de woordvoerster van de Rode Draad, Metje Blaak.
[1] Voor een onderbouwing van deze stelling verwijs ik naar de verschillende documenten te vinden onder dossiers prostitutie.
[2] Bij rechtspositie denkt men aan de monopoliepositie van kamerexploitanten, of de discriminatie bij banken en verzekeringmaatschappijen etc
[3] Actoren zijn raamexploitanten, banken, overheden etc, waar bij mensenhandel de actoren gevormd worden door criminelen, de mensenhandelaren.
[4] Zie o.a. Nader voorlopig verslag van de vaste commissie voor de veiligheid en Justitie, 13 dec. 2011. EK, 2011-2012, 32211, D Brief Min v V&J, 27 okt 2011 over de stand van zaken en toezeggingen inzake de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (PDF)
[5] Partricia Parool, publiceert inmiddels onder de naam van Patricia Perquin. Hier is alleen de inleiding op het gehele stuk te lezen.
[6] Memorie van Antwoord, 1 nov 2011, EK 2011-2012, 32. 211, C, p. 4.
[7] Memorie van Antwoord, 1 nov 2011, EK 2011-2012, 32. 211, C, p. 5
[8] Website, laatstelijk geraadpleegd op 26 dec. 2011. Zie voor commentaar van de Rode Draad bij de prostitutie wet (PDF).
[9] Memorie van Antwoord, Regels betreffende de regulering van prostitutie en betreffende het bestrijden van misstanden in de seksbranche, 1 nov 2011, EK, 2011-2012, 32 211, C p. 25.

