Home > Legal Info, Political info > Rechtbank Zutphen begrijpt weinig van mensenhandel

Rechtbank Zutphen begrijpt weinig van mensenhandel

February 1st, 2012

 

Rb Zutphen

De rechtbank Zutphen spreekt op 24 januari 2012 een drietal verdachten vrij. Zij hebben een vrouw en een meisje, beiden afkomstig uit Estland waarvan een  jonger dan 18 jaar, in de prostitutie gebracht. De rechtbank doet dat, omdat niet kan worden vastgesteld of verdachte heeft geprofiteerd van het geld dat door onder andere het meisje is verdiend, waardoor niet zou kunnen worden bepaald of verdachte het ‘oogmerk op uitbuiting’ heeft gehad. De rechtbank miskent daarbij volledig het gegeven dat uitbating in de prostitutie van een minderjarige verboden is en geen sprake hoeft te zijn van ‘oogmerk op uitbuiting’. Voldoende voor strafbaarheid is dat verdachte het meisje ertoe heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden. (artikel 273f, lid 1 sub 5) En dat hebben ze, dat wordt althans niet betwist. Een bijzonder rommelig vonnis waaruit allesbehalve kennis van  het delict mensenhandel blijkt. (LJN: BV2125; BV2116; BV2105)

Politie krijgt een melding geluidsoverlast en treft bij controle een beschonken man en twee jong uitziende vrouwen achter de ramen, waarvan een naar later blijkt, minderjarig. De agent meldt nog dat hij komt vanwege de overlast en vertrouwt het niet. Waarom, wordt niet duidelijk. Wanneer tien minuten later meerdere agenten het pand betreden, laten de agenten helaas achterwege zich te legitimeren, evenmin wordt verteld waarvoor ze in tweede instantie de woning binnentreden. De vrouwen worden meegenomen ter controle en overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Dat de politie verzuimt zich te legitimeren, ook al betreden ze de woning na uitnodiging, maakt dat het bewijs dat vervolgens wordt vergaard tegen een van de drie verdachten niet mag worden gebruikt. Dat leidt tot vrijspraak van een van de verdachten.[1] Voor de twee andere mannen die geen hoofdbewoner zijn van het pand, oordeelt de rechtbank dat zij niet onevenredig in hun belangen zijn geschonden en mag het bewijs wel worden meegewogen.De politie loopt in dit geval dus per ongeluk tegen twee jonge dames, prostituees aan, afkomstig uit Estland. En dan is het de vraag, of de dames, ten eerste meerderjarig zijn, op eigen initiatief hierzijn gekomen, vrijwillig werken, of zijn misleid, kortom of sprake is van strafwaardig gedragingen in het licht van artikel 273f Wetboek van Strafrecht, het mensenhandelartikel. Een van beiden is jonger dan 18 jaar. Omdat verder geen onderzoek lijkt te zijn verricht, is het bewijsmateriaal gering.

In totaal drie mannen waarvan een hoofdbewoner van het onrechtmatig binnengetreden pand en een zelf afkomstig uit Estland, hebben de vrouwen uit Estland gehaald en hier naar toe gebracht. Zij brengen de vrouwen naar hun werkplek en halen ze weer op. Bovendien heeft is tot aan het moment van arrestatie al het verdiende geld steeds ingenomen, zo verklaart althans een van de vrouwen. En, de vrouwen zouden het geld in Estland krijgen, zo verklaart het meisje. Een vriendin van haar zou al geld hebben ontvangen. Niet duidelijk wordt hoeveel.

Een van de meisjes is nog geen achttien (slachtoffer 2)

Art. 273f, lid 1 sub 5: degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

Op grond van sub 5 van het eerste lid van artikel 273f  is niet vereist dat dan gebruik gemaakt is van een van de middelen zoals misleiding, geweld etc, evenmin is noodzakelijk dat sprake is van uitbuiting. Uitbating oftewel tewerkstelling in de prostitutie alleen is voldoende voor strafbaarheid.[2] Met deze bepaling heeft de wetgever personen jonger dan 18 jaar willen beschermen. Het is in Nederland verboden om als persoon jonger dan 18 jaar in de prostitutie te werken, en het is logischerwijs ook verboden dat iemand anders je daartoe brengt aanzet of werft. Het maakt niet uit dat iemand al werkzaam was in de prostitutie, evenmin of de jeugdige heeft ingestemd met de werkzaamheden. Rechtbank Zutphen heeft dat blijkbaar niet begrepen. Sub 5 is ten laste gelegd, maar de rechtbank vraagt zich af of verdachte wel geprofiteerd heeft van het door het meisje verdiende geld en daarmee of verdachte wel het oogmerk op uitbuiting had. Daarmee laakt de rechtbank volledig de strafbaarstelling van te werkstelling in de prostitutie van minderjarigen. Het zou toch echt van de gekke zijn, dat de vraag of sprake is van mensenhandel bij minderjarigen afhangt van de vraag of verdachten daadwerkelijk van het door hen in beslag genomen geld geprofiteerd hebben, nog afgezien van de vraag wat onder profiteren dient te worden verstaan. Dat is niet wat wij voor ogen hebben in Nederland. Rechtbank Zutphen: het tot prostitutie brengen van minderjarigen is verboden!

Meerderjarige (slachtoffer 1)

Art 273f lid1 sub3: degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

Voor de meerderjarige vrouw ligt het anders. Hoewel op zich het werven en over de grens brengen van een persoon met als doel tewerkstelling in de prostitutie verboden is, moet deze bepaling gezien de legalisering van prostitutie en het vrije Europese dienstenverkeer mijn inziens met enige nuance worden beschouwd.[3] Rechtbank Zutphen maakt zich niet druk om een mogelijke nuance en volgt de letter van de wet, althans daar lijkt het op. Sub 3 stelt strafbaar de grensoverschrijdende mensenhandel: degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Nu de rechtbank geen overwegingen besteedt aan het bestanddeel ‘ertoe brengen’, wordt dit blijkbaar bewezen geacht. En dat impliceert tevens de rechtbank er dus van uit gaat dat het initiatief niet van de vrouwen is uitgegaan, maar van verdachten. Zo is ook gesteld in de tenlastelegging. De vrouwen zouden zijn geworven om als danseres hier te werken, waarna hen eenmaal hier aangekomen verteld werd dat ze ook in de prostitutie konden werken en bovendien dat zij hun geld pas bij terugkomst in Estland zouden krijgen. Ook de rechtbank gaat hiervan uit. Dat betekent op grond van sub 3 dat sprake is van een strafbare gedraging. De rechtbank stelt echter in beide gevallen dat sprake moet zijn van (bewezen) oogmerk op uitbuiting. Hoe de rechtbank hierbij komt blijft onduidelijk.

Oogmerk is een zwaardere variant van opzet, waarvoor is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit (vgl. HR, 27 okt 2009, LJN: BI7099, NJ 1998, 610) De rechtbank vraagt zich in dat verband af, of verdachten van het geld hebben geprofiteerd of kunnen of willen profiteren. De vraag of daadwerkelijk uitgebuit is zoals hierboven vermeld niet relevant voor strafbaarheid. Wanneer men uitgaat van de nuance dat sub 3 mogelijk het vrije Europese dienstenverkeer zou benadelen, en daarom sub 2 in de tenlastelegging gevolgd zou moeten worden, blijft het de vraag  of dat profiteren een juiste maatstaf  is voor het begrip uitbuiting. Uitbuiting dient uitgelegd te worden aan de hand van de situatie waarin de prostituee verkeert en de mate waarin die situatie afwijkt van de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Eenvoudig gezegd had de prostituee nog enige keuzevrijheid. Dat door de Hoge Raad geintroduceerde criterium hanteert de rechbank niet en vraagt zich daaromtrent ook niets af.

Wel over het profiteren. Verdachten haalden het verdiende geld op en bewaren dat voor de vrouwen. Zij zouden het geld krijgen als ze terug zijn in Estland. Het meisje heeft verklaard dat al geld aan een vriendin in Estland overhandigd zou zijn. “Weliswaar heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte tot het moment dat hij werd aangehouden door de politie het geld dat door haar werd verdiend kwam ophalen, maar in hoeverre verdachte van dat geld heeft geprofiteerd of kunnen of willen profiteren is door haar niet aangegeven. Ook zij zou haar geld in Estland krijgen, aldus haar verklaring. Dat betekent dat ook uit haar verklaring niet valt af te leiden of verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad.”

Het alleen in bezit houden van al het verdiende geld, ook al zijn er meer legitieme redenen te bedenken om dat niet te doen dan wel, vindt de rechtbank blijkbaar onvoldoende om te kunnen spreken van oogmerk op uitbuiting. Waarom is er voor deze vrouwen geen bankrekening geopend waarop al het geld is gestort? Waarom inden verdachten überhaupt al het verdiende geld van de dames? Hoeveel en waarom is het geld aan een vriendin afgegeven in Estland en wederom, waarom niet aan het meisje zelf en waarom niet in Nederland? Wanneer zou wel sprake zijn geweest van zodanig profiteren dat gesproken kan worden van een uitbuitingssituatie? Vragen die de rechtbank niet lijkt te stellen. En vragen die zowel in het kader van het minderjarige meisje als in het andere geval, niet gesteld hadden hoeven worden.

Ik heb niet het idee dat de rechtbank er ook maar iets van het delict mensenhandel begrepen heeft of zelfs maar de moeite heeft genomen hier iets van te begrijpen. En dat is bijzonder kwalijk. Zo kunnen  weer een drietal vrijspraken toegevoegd worden aan het toch al grote totaal. Dat zijn er minstens twee te veel. De binnentredende agenten zijn slordig geweest, maar die slordigheid valt wat mij betreft in het niet bij de slordigheid in deze vonnissen. Ik heb gezegd.

 

 


[1] Ik heb hier ma 30 jan 2012 over getwitterd dat het onzin zou zijn dat vrijspraak het gevolg was van een vormfout. Dat klopt niet, bij een van de drie verdachten ligt wel degelijk de vormfout van niet-legitimatie ten grondslag aan de vrijspraak.

[2] Zie ook MvT, art 273f WvS, Uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van  Mensensmokkel en Mensenhandel. TK 29 291, 2003-2004. P. 8.

[3] Met art. 273f, sub3, wordt aan de verplichtingen ten aanzien van vrouwen, vervat in eerder vermeld verdrag van 1933 (het Internationaal Verdrag nopens de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, Genève, 11 oktober 1933, S. 1935, 598), voldaan. De strafbaarheid van de hier genoemde gedragingen hangt, anders dan het tot prostitutie brengen of in de prostitutie doen belanden als bedoeld in het eerste lid, niet af van het ontbreken van dwang of ongeoorloofde beïnvloeding.” Een letterlijke toepassing van artikel 273f, eerste lid, sub 3 Sr zou bepaalde categorieën personen echter mogelijk belemmeren om hun inkomsten op legale wijze in de prostitutie te verwerven. Ook zou het in het communautaire recht van de EU kunnen betekenen dat het vrij verkeer van diensten (in dit geval seksuele) wordt belemmerd, immers het zou personen uit andere landen van de unie beperken in het (gaan) verlenen van die seksuele diensten, die op zich binnen de Nederlandse rechtssfeer legaal zijn.” Rb Arnhem 21 dec. 2011, LJN: BU8843

Comments are closed.